Na het smeekgebed worden de gevoelens van rouw aldus verwoord:Die ons schiep En ook nu nog als hier de nacht ons overmant houdt in de holte van Uw hand.
Die ons zoekt in het duister, Die ons de dag hebt toegezegd, spreek in de stilte tot Uw knecht.
Die ons hoedt in Uw schaduw, onder Uw vleugels toegedekt, liefde, die ons tot leven wekt,
Ken ons hart, zo onrustig, vol van zichzelf is het verblind. totdat het rust in U weer vindt.
Kom tot ons als de morgen. Ga over ons op als het licht. Zegen ons met Uw Aangezicht.
Hierna zingt de Gemeente: Laat komen, Heer, Uw Rijk (Liedboek Gez. 294). Na de lezing der Schriften wordt gezongen: Eens komt de grote zomer (Gez. 288, 1-4-5). Direct na de "uitleg en verkondiging" volgt de "gedachtenis van de overledenen": Telkens worden drie namen genoemd, waarna de familieleden worden uitgenodigd naar voren te komen om een licht te ontsteken aan het licht van Pasen. Wanneer zo 6 overledenen zijn herdacht zingt de Cantorij:Rouw
Afscheid nemen afstand scheppen herinnering worden draden geweven tot een web weer losmaken tot raggen
die toch opglanzen als ik het licht er goed op heb.
De Gemeente herhaalt dit lied. Dan volgen weer drie namen, de familie komt naar voren, weer drie namen en weer komen familieleden naar voren om een kaars aan te steken. Als alle namen zo zijn genoemd en alle gestorvenen door de familieleden en de Gemeente zijn herdacht, mogen ook andere Gemeenteleden naar voren komen en een licht ontsteken. Nadat de laatste kaars is aangestoken spreekt de predikant:Als alles duister is, ontsteek dan een lichtend vuur, dat nooit meer dooft; Als alles duister is, ontsteek dan een lichtend vuur, dat nooit meer dooft, Vuur dat nooit meer dooft, als alles duister is.
De voorbeden worden ingeleid met een orthodoxe gebedsdeclamatie (uit Dienstboek pag. 746):Als een knop aan een tak van een boom, geworteld in de bron van leven - als beeld van nieuwe hoop, als een ster in de nacht,
gedenken we jou, allen, die we uit het oog, maar niet uit het hart hebben verloren.
We zien uit naar het licht dat ons verbindt in dood en leven.
Laat mijn gebed mogen stijgen als wierook omhoog Tot Uw aanschijn. Moge het, als ik mijn handen ophef, Tot een waardig offer U zijn, Wanneer ik roep tot U: verhoor mij, o Heer.Dan volgen de persoonlijke gebeden in een stil gebed, besloten met het "Onze Vader". Als slotlied wordt gezongen: Vergeet niet hoe wij heten (tekst van WillemBarnard, melodie van Willem Vogel, uit "Tussentijds" nr. 188).
Vergeet niet hoe wij heten: naar U zijn wij genoemd. Zoudt Gij ons niet meer weten dan waren wij gedoemd te sterven aan Uw leven; Maar zo Gij ons gedenkt is er een eeuwig even, een ogenblijk gegeven, een paasdag die ons wenkt. Zij raken niet vergeten die over zijn gegaan tot u, want in Uw heden bewaart Gij hun bestaan. Hun namen zijn verzekerd in Uw gedachtenis, Gij zult ze blijven spreken tot die DAG aan zal breken waarop het wachten is. Vergeet niet hoe wij heten, wij heten naar Uw naam. uit duizenden gebeden stelt zich Uw eenvoud saam. Want zo zijt Gij gebroken, gelijk het ene licht, van naam tot naam gesproken, van dag tot dag ontloken, zo zien wij Uw gezicht.Al met al een indrukwekkende dienst, waarin de elementen van rouw en rouwverwerking in woord en lied samenvloeiend tot uitdrukking werden gebracht. Op deze manier blijven de gestorvenen onder ons aanwezig, in eerbied en dankbaarheid. En zo is het goed.