- Het woord "parousia" wordt bij Paulus nooit voor de eerste aankomst van Christus gebruikt; "parousia" heeft daarom bij Paulus nooit de betekenis van "wederkomst".
- Het tweevoudige begrip "komst" en "wederkomst" is pas van latere tijd (zie: 1 Tim.3, 16; 2 Tim.1, 10; hebr.9, 28 en het Johanneïsche "palin"(weer)).
Waar blijft de tijd L - Het Paulinische toekomst-perspectief
Bij de bespreking van de tijdsterminologie in Paulus' brieven zagen we reeds, hoe zeer Paulus' denken op de toekomst is gericht, waardoor ook het heden door hem benadrukt kan worden als de tijd, waarin de toekomst reeds werkelijkheid geworden is, als eschatologische heilstijd.
Bij de bespreking van de tijdsterminologie in Paulus' brieven zagen we reeds, hoe zeer Paulus' denken op de toekomst is gericht, waardoor ook het heden door hem benadrukt kan worden als de tijd, waarin de toekomst reeds werkelijkheid geworden is, als eschatologische heilstijd. Hierachter ligt niet zo zeer de apocalyptisch-dualistische wereldbeschouwing, die de apostel zou aanhangen, als wel de openbaring van het mysterie dat hem deelachtig is geworden: dat Christus IS gekomen en ZAL wederkomen. De apocalyptische tijdsbeschouwing van "toen en nu", in feite lineair gedacht, blijft, hoezeer Paulus' uitwendige terminologie daardoor ook beïnvloed is, toch slechts raamwerk van zijn tijdsopvatting. Vulling en betekenis immers krijgt deze pas en alleen in Christus. Natuurlijk liggen de wortels van de Paulinische "Naherwartung" ook in de verkondiging van Jezus Zelf. Hierdoor is de eigenlijke teneur van het apocalyptische schema te niet gedaan: moest voor de Joodse apocalyptiek de toekomst het nieuwe heil brengen, voor Paulus WAS dit heil al gekomen in Christus, in het "eens en voor altijd" van Rom.6, 10: "Want wat Zijn sterven betreft, is Hij voor eens en altijd voor de zonde gestorven, en wat Zijn leven betreft, leeft Hij voor God". Zou voor de Joodse apocalyptiek de toekomst een totaal nieuw heil brengen, voor Paulus was dit heil niet totaal nieuw meer, immers God had het hem in Christus geopenbaard. Christus, en Hij alleen, is dan ook voor de apostel het uitgangspunt van zijn gedachten over de toekomst.
Het Christologische centrum
Met Christus is het toekomstige heil reeds in de tegenwoordige tijd ingedaald. Wij mogen in het heden als heilstijd, tijd van Evangelie-beleving en -verkondiging, proleptisch de toekomst met het daarin te ontvangen definitieve heil beleven. Dit geeft een voelbare spanning aan het leven van de Christen: het heil is nog uitstaande en toch ook al aanwezig. We vinden de futuristische uitspraken in het apocalyptische taalpatroon van de "dag des Heren" of "de dag van het oordeel" (Rom.2, 5.16; 1 Kor.5, 7.8; 2 Kor.1, 14), de "wederkomst" van de Heer", ''Die ook hetgeen in de duisternis verborgen is, aan het licht zal brengen en de raadslagen der harten openbaar zal maken" (1 Kor.4, 5); het uiterlijk van de wereld "dat bezig is te verdwijnen" (1 Kor.731); de tijd die "sunestalmos" (kort, weinig) genoemd wordt (1 Kor.7, 29); de doden, die "zôopoiethesontai": levend zullen worden gemaakt (1 Kor.15, 22). Paulus wijst er op, dat de "parousie" en het laatste oordeel, de laatste dag, nog geschieden moeten (1 Kor.1, 7): "Wij verwachten de openbaring van de Heer..." (vergelijk ook 2 Kor.1, 14: "gelijk gij reeds ten dele van ons hebt begrepen: dat wij uw roem zijn, evenals gij de onze op de dag van onze Here Jezus").
De "komst van de Heer" (de "eschate hemera") is een Oudtestamentisch gegeven. Het komen van God als wereldkoning, daarnaast het komen van de Messias, wordt door de profeten en later in de apocalyptiek onder een veelvoud van vormen verkondigd: het konings-Messianisme, de "Ebed Jahwe", de Mensenzoongestalte en de priester-Messias. Het gaat bij al deze verachtingen om het zichtbaar worden van Gods heil en van Zijn heerschappij op aarde. "Parousia" betekent in deze geest: heilbrengende aankomst. In de Paulinische interpretatie moeten in het licht hiervan een tweetal kenmerken benadrukt worden: